8 JANUARI 2006. - Koninklijk besluit tot regeling van het statuut van de bijzondere veldwachters

Informatie
Datum

Publicatie: B.S. 24 februari 2006

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

Artikel 1. Voor de toepassing van dit koninklijk besluit wordt verstaan onder :
1° de Minister : de Minister van Binnenlandse Zaken;
2° de gouverneur : de provinciegouverneurs en de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad;
3° de bijzondere veldwachter : de bijzondere veldwachter zoals omschreven in artikel 61 van het veldwetboek.

HOOFDSTUK II. - Uitoefeningsvoorwaarden.

Art. 2. De kandidaat bijzondere veldwachter moet aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° op de dag van de erkenning de volle leeftijd van 18 jaar bereikt hebben;
2° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie;
3° geen politiek mandaat bekleden;
4° geen lid zijn of sinds vijf jaar geweest zijn van een politiedienst zoals bedoeld in de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt of van een openbare inlichtingendienst, zoals bepaald in de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten;
5° geen privé-detective zijn, zoals bepaald in de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective;
6° geen werkzaamheden van wapen- of munitiefabrikant, van wapen- of munitiehandelaar, of enige andere werkzaamheid uitoefenen die, doordat ze wordt uitgeoefend door deze zelfde persoon, een gevaar kan opleveren voor de openbare orde of voor de in- of uitwendige veiligheid van de staat;
7° geen lid zijn van een bewakingsonderneming, interne bewakingsdienst of veiligheidsdienst zoals bedoeld in de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid;
8° geen functie als wachter bij de administratie bosbeheer uitoefenen, zoals bedoeld in de gewestelijke reglementeringen;
9° niet jagen op noch (mede)jachtrechthouder zijn op het gebied waarop hij wenst aangesteld te worden en geen bloed- of aanverwant zijn tot in de derde graad met zijn aansteller en met de jachtrechthouders die op dit gebied jagen;
10° niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, bestaande uit een geldboete, een werkstraf of een gevangenisstraf.

Een bijzondere veldwachter die soortgelijke, in kracht van gewijsde gegane veroordelingen heeft opgelopen in het buitenland, wordt geacht niet aan de hierboven gestelde voorwaarde te voldoen.

HOOFDSTUK III. - Opleiding en bekwaamheidsproef.

Art. 3. § 1. De inhoud van de opleiding bestaat ten minste uit volgende onderdelen : recht, de bijzondere veldwachter, het proces-verbaal, veilig en verantwoord optreden en sociale vaardigheden verbonden aan de functie. De opleiding omvat ten minste 80 uren.

§ 2. De eindtermen worden als volgt bepaald :
- kennis van de reglementering die betrekking heeft op de bijzondere veldwachter;
- inzicht in de bevoegdheden van de bijzondere veldwachter : rechten, plichten, beperkingen in de bevoegdheden;
- verantwoord kunnen optreden ten opzichte van slachtoffers, daders als burgers;
- het correct kunnen opstellen van een proces-verbaal.
Deze eindtermen dienen zo ruim mogelijk geïnterpreteerd te worden.

Art. 4. § 1. De inhoud van de bijscholing wordt door de opleidingsinstellingen bepaald, naar gelang de noden van de bijzondere veldwachters. De bijscholing bevat ten minste een opfrissing van verworven kennis en kunde tijdens de basisopleiding, de regels betreffende het proces-verbaal en de nieuwigheden in de regelgeving met betrekking op de bijzondere veldwachter.

§ 2. De bijscholing omvat ten minste 15 uren.

Art. 5. § 1. Enkel de opleidingsinstellingen die georganiseerd of erkend worden door de provinciale overheid mogen de basisopleiding en de bijscholing aanbieden.

§ 2. De modaliteiten van de basisopleiding en de bijscholing van de bijzondere veldwachters worden door de Minister bepaald.

Art. 5bis. § 1. Binnen elke provincie waar de opleiding tot bijzondere veldwachter en de bijscholing georganiseerd worden, wordt door de gouverneur een opleidingscommissie opgericht. Deze commissie wordt samengesteld uit volgende deskundigen :
1° een arrondissementscommissaris van de betreffende provincie, voorzitter;
2° een expert die beschikt over een nuttige ervaring inzake de bevoegdheidsmaterie van de bijzondere veldwachters;
3° een bijzondere veldwachter;
4° een officier van de lokale politie, die kennis of ervaring heeft in politionele opleidingen;
5° een magistraat van het Parket van de Procureur des Konings.
Het is de opleidingscommissie toegelaten zich door experten te laten bijstaan. Deze experten beschikken niet over een beslissende stem.

§ 2. De opleidingscommissie heeft als taak om :
1° een gemotiveerd advies aan de gouverneur te verstrekken over de vraag tot erkenning van een opleidingsinstelling die de opleiding en de bijscholing van de bijzondere veldwachter wenst in te richten;
2° de kwaliteit van de opleidingsactiviteiten, met inbegrip van de cursusinhoud en van de lesgevers van de opleidingsinstelling te onderzoeken. De leden van de opleidingscommissie hebben hiervoor tijdens de normale openingsuren toegang tot de lokalen van de opleidingsinstelling. Ze kunnen zich alle voor de controle noodzakelijke documenten laten voorleggen en kunnen contact hebben met de inrichters, de lesgevers en de cursisten. De leden kunnen eveneens, zelfs onaangekondigd, lessen meevolgen. De commissie stelt haar onderzoeksresultaten in een verslag vast dat aan de gouverneur wordt bekendgemaakt.

§ 3. De gouverneur kan de opleidingsinstelling aanmanen de nodige maatregelen te nemen wanneer uit het verslag van de commissie zou blijken dat de opleidinginstelling niet aan de kwaliteitsnormen voldoet.

Art. 5ter.De opleidingscommissie stelt een intern reglement op dat minstens de volgende onderwerpen bevat :
1° de procedure van de kwaliteitscontrole en besluitvorming waarin ten minste de volgende criteria worden opgenomen :
- het lessenprogramma omvat minstens het minimumprogramma zoals voorzien in dit besluit;
- de lesgevers zijn vakbekwaam doordat ze in het bezit zijn van een aangepast diploma of doordat ze, in de afgelopen zes jaar, minstens drie opeenvolgende jaren beroepservaring in de te doceren vakken hebben;
- elk vak wordt gedocumenteerd met een schriftelijke syllabus of handboek.
2° de procedure van het verlenen van een gemotiveerd advies betreffende de aanvraag tot erkenning waarbij ten minste de volgende overwegingsgronden in aanmerking worden genomen :
- de tewerkgestelde lesgevers zijn niet veroordeeld, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, bestaande uit een geldboete, een werkstraf of een gevangenisstraf. Een lesgever die soortgelijke, in kracht van gewijsde gegane veroordelingen heeft opgelopen in het buitenland, wordt geacht niet aan de hierboven gestelde voorwaarde te voldoen;
- de lesgevers doceren maximum twee verschillende materies binnen dezelfde opleidingsinstelling, behoudens voltijdse tewerkstelling in de opleidingsinstelling of uitdrukkelijke afwijking toegestaan door de gouverneur;
- de instelling beschikt over voldoende accommodatie voor de opleiding en de bijscholing ;
- de opleiding en de bijscholing wordt niet per correspondentie georganiseerd.
3° de documenten en gegevens die aan de opleidingscommissie ter beschikking worden gesteld om haar taken te kunnen uitoefenen.
Dit reglement wordt ter goedkeuring aan de gouverneur voorgelegd.

Art. 5quater.De opleidingsinstelling verleent toegang aan de leden van de opleidingscommissie in het kader van de kwaliteitscontrole, legt de gevraagde documenten voor en levert deze af tegen ontvangstbewijs indien zulks door de leden wordt gevraagd.

Art. 5quinquies. De gouverneur kan de erkenning van de opleidingsinstelling intrekken, na de directeur van de opleidingsinstelling of zijn vervanger te hebben gehoord, wanneer hij een inbreuk op huidig besluit of haar uitvoeringsbesluiten vaststelt.

Art. 5sexies.Enkel de personen die over een schriftelijke overeenkomst met de aansteller beschikken, mogen aan de opleiding deelnemen.
Deze overeenkomst dient bij inschrijving aan de opleidinginstelling voorgelegd te worden.

art. 5bis - 5quinquies ingevoegd door KB 2007-12-20

Art. 6. Een examencommissie wordt in elke provincie of op gezamenlijke wijze voor meerdere provincies, geïnstalleerd.
De commissie bestaat minimaal uit de volgende drie leden :
1/ de gouverneur of zijn vertegenwoordiger, voorzitter,
2/ twee externe experten, waarvan ten minste één een nuttige ervaring van 10 jaar als bijzondere veldwachter kan doen gelden en die geslaagd is voor de bekwaamheidsproef zoals bedoeld in het 4e lid van huidig artikel, of voor de toets zoals bepaald in het artikel 18.

De examencommissie organiseert ten minste twee maal per jaar een bekwaamheidsproef. Deze proef bestaat uit een schriftelijk en mondeling gedeelte. De vragen zijn gebaseerd op de eindtermen van de opleiding zoals bepaald in het artikel 3, § 2. De kandidaat-bijzondere veldwachter dient een voldoende te halen voor elk van de delen van de bekwaamheidsproef. Een getuigschrift van slagen wordt hem dan afgeleverd.

Enkel de kandidaat-bijzondere veldwachter die de basisopleiding gevolgd heeft kan worden toegelaten tot de bekwaamheidsproef. Hij mag maximaal twee maal de proef herkansen binnen een termijn van twee jaar. Deze termijn loopt vanaf de eerste dag van de examensessie volgend op de basisopleiding. Bij gebreke dient de kandidaat opnieuw de basisopleiding te volgen.

Art. 7.Elke vijf jaar volgt de bijzondere veldwachter een bijscholingscursus georganiseerd in de provincie in dewelke hij aangesteld is. Na afloop van deze cursus wordt hem, in geval van slagen, een getuigschrift van de bijscholing afgeleverd.

HOOFDSTUK IV. - Erkenningsvoorwaarden en legitimatiekaart.

Art. 8. De kandidaat-bijzondere veldwachter legt volgende stukken aan de gouverneur voor om erkend te kunnen worden :
1° een bewijs van goed zedelijk gedrag (niet ouder dan drie maanden) of een afschrift van het uittreksel van het strafregister niet ouder dan drie maanden;
2° het getuigschrift van slagen in de opleiding zoals bedoeld in artikel 6 of het getuigschrift van slagen in de verkorte opleiding zoals bedoeld in artikel 18.
3° de aanstellingsakte, in tweevoud, ondertekend door de aansteller(s) en de kandidaat;
4° een verklaring op eer waarin de kandidaat bevestigt geen (mede)jachtrechthouder te zijn in het te bewaken gebied en waarin hij zich ertoe verbindt er niet te jagen;
5° een verklaring op eer waarin de kandidaat verklaart dat er geen bloed- of aanverwantschap bestaat tot in de derde graad met de aansteller(s) en met de jachtrechthouders op het gebied waarop hij beëdigd wenst te worden;
6° wanneer het te bewaken gebied een jachtterrein is en de regelgeving de aansteller oplegt om een jachtplan in te dienen, het bewijs van indiening van dit plan. Dit bewijs moet elk jaar hernieuwd worden;
7° een getuigschrift van het behalen van het theoretische en praktische jachtexamen dat door het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest of Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt georganiseerd, tenzij de gouverneur de kandidaat hiervan vrijstelt omdat het te bewaken gebied niet van die aard is dat de kennis van de jachtwetgeving vereist is;
8° een overzicht van het beroepsverleden;
9° een verklaring op eer waarin de kandidaat bevestigt geen lid te zijn van een bewakingsonderneming, interne bewakingsdienst of veiligheidsdienst of de functie van privé-detective, van wapen- of munitiefabrikant, van wapen- of munitiehandelaar uit te oefenen.

Art. 9. Wanneer aan alle formaliteiten en uitoefeningsvoorwaarden is voldaan, erkent de gouverneur de kandidaat als bijzondere veldwachter. Hij stelt daartoe een erkenningsakte op.

Art. 10. § 1. Elk element dat een wijziging inhoudt van de situatie die aan de basis lag van de erkenning van de bijzondere veldwachter, wordt door deze aan de gouverneur meegedeeld die er kennis van neemt.

§ 2. Indien de bijzondere veldwachter nalaat de elementen bedoeld in § 1 aan de gouverneur te melden, kan de gouverneur vanaf het ogenblik dat hij van deze elementen op welke manier ook in kennis wordt gesteld, de erkenning van de bijzondere veldwachter intrekken, nadat hij hem gehoord heeft.

§ 3. De intrekking van de erkenning leidt onmiddellijk tot de stopzetting van de activiteiten van de bijzondere veldwachter.

Art. 11. De gouverneur geeft de legitimatiekaart af aan de bijzondere veldwachter op vertoon van de erkenningsakte en de akte van beëdiging.

Art. 12. De legitimatiekaart waarvan het model in de bijlage van dit besluit is opgenomen, is vijf jaar geldig.

Met het oog op de verlenging van de geldigheid legt de bijzondere veldwachter het getuigschrift van bijscholing zoals bedoeld in artikel 7, voor, daterend van maximaal één jaar voorafgaand aan de aanvraag tot verlenging, samen met een bewijs van goed zedelijk gedrag of een uittreksel van het afschrift van het strafregister, dat maximaal drie maanden voorafgaand aan de aanvraag tot verlenging werd uitgereikt.

De gouverneur geeft een nieuwe legitimatiekaart af nadat hij heeft vastgesteld dat aan alle uitoefeningsvoorwaarden wordt voldaan.

In het geval van intrekking van de erkenning, wordt de legitimatiekaart aan de gouverneur teruggestuurd binnen de tien werkdagen.

Art. 13. De bijzondere veldwachter draagt de legitimatiekaart tijdens de uitoefening van zijn functie. Hij overhandigt ze bij elke vordering van de bestuurlijke of gerechtelijke autoriteiten.

De bijzondere veldwachter moet bovendien de legitimatiekaart of een herkenningsteken waarop ten minste zijn naam, de provincie en het nummer van zijn erkenningsdossier worden vermeld die hij tijdens de uitoefening van zijn functie op een duidelijk leesbare wijze moet dragen. Het model van het herkenningsteken wordt in de bijlage bepaald.

HOOFDSTUK V. - Uitrusting.

Art. 14. De bijzondere veldwachter mag door zijn aansteller in het bezit worden gesteld van een lang vuurwapen ontworpen voor de jacht zoals bedoeld in de Wapenwet.

De bijzondere veldwachter mag dit geweer slechts dragen tijdens de uitvoering van zijn dienst en voor zover hij de hem door de gewestelijke overheden toegekende bevoegdheden daadwerkelijk uitoefent.

Art. 15. De bijzondere veldwachter draagt een donkergroene parka, polo of hemd, pull, broek en pet. De nadere richtlijnen worden vastgelegd door de Minister.

Art. 16. Het uniform is voorzien van de legitimatiekaart of van het herkenningsteken zoals bedoeld in artikel 13 en van emblemen die in de bijlage worden gevoegd. De nadere richtlijnen omtrent het herkenningsteken en de emblemen worden door de Minister bepaald.

HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en wijzigingsbepalingen.

Art. 17. De personen die op datum van inwerkingtreding van dit koninklijk besluit aangesteld en erkend zijn, worden ontslagen van de verplichting om te voldoen aan de voorwaarde gesteld in artikel 2, 10°, om een nieuwe legitimatiekaart te bekomen in de zin van artikel 20.

Art. 18.De bijzondere veldwachter die reeds erkend en aangesteld is, is gehouden om vóór 31 december 2012, de verkorte opleiding te volgen en voor de overeenkomstige toets te slagen zoals bepaald in dit artikel. Indien de bijzondere veldwachter in gebreke blijft, wordt zijn legitimatiekaart op die datum ingetrokken.

De verkorte opleiding omvat ten minste 15 uur, tijdens dewelke volgende materies worden besproken :

Bevoegdheden van de bijzondere veldwachter en deontologie 5 uur
Proces-verbaal 4 uur
Leren onderkennen en beheersen van crisissituaties 2 uur
Communicatievaardigheden 4 uur

Op het einde van de verkorte opleiding wordt een toets betreffende deze materies georganiseerd. Zij wordt afgelegd door de bijzondere veldwachter binnen de opleidinginstelling waar hij de opleiding gevolgd heeft. De bijzondere veldwachter ontvangt een getuigschrift van slagen voor de verkorte opleiding wanneer hij ten minste 55 % van de punten behaald heeft.

De bijzondere veldwachter kan zich overeenkomstig dit artikel, slechts tweemaal aanbieden om de toets af te leggen. Indien hij bij de tweede poging niet slaagt, wordt zijn legitimatiekaart onmiddellijk ingetrokken. Hij kan evenwel aan de opleiding zoals bepaald in het artikel 3, § 1, deelnemen.

Art. 19. [...] Opgeheven KB 1 december 2007

Art. 20. De erkende en aangestelde bijzondere veldwachter dient binnen de drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit een nieuwe legitimatiekaart te bekomen. Te dien einde legt hij de documenten opgesomd in artikel 8, 1°, 3°, 8°, en de oude legitimatiekaart voor. Het dragen van deze nieuwe kaart is verplicht.

Art. 21. De kandidaat-bijzondere veldwachter die erkend wenst te worden vóór de inwerkingtreding van het ministerieel besluit die de inhoud van de basisopleiding regelt, dient met het oog op het bekomen van een legitimatiekaart de documenten opgesomd in artikel 8, 1°, 3°, 8°, en een bewijs dat hij een opleiding van bijzondere veldwachter overeenkomstig de provinciale bepalingen gevolgd heeft, te tonen).

Artikel 18 is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde bijzondere veldwachter.

Art. 22. De Minister kan bepalen dat, omdat ze op geautomatiseerde wijze kunnen worden geraadpleegd, een of meerdere gegevens of documenten, bedoeld in dit besluit, niet langer door de (kandidaat-) bijzondere veldwachter moeten worden voorgelegd.

Art. 23. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.